Trajecten van de reis

Veiling Berbice

Na aankomst van het schip de Eenigheid in de kolonie Berbice kon de organisatie van de veiling van de slaafgemaakten beginnen. De inhoud ervan kan worden afgeleid uit de onkostenpost op de rekening-courant. Zo werd inderdaad, volgens de nadere particuliere instructie aan de kapitein, Abraham Wijs ingehuurd als veilingmeester.

“den heer vendumeester Abraham Wijs om met sijn weledele den verkoop ten meesten intresse deser Compagnie te overleggen en verder zijn weledele raad en adsistentie voor sooveel noodig is te versoeken”

Abraham Wijs, tevens de secretaris van de kolonie, zorgde bijvoorbeeld voor de witte verf voor het schilderen van aankondigingen. Ook verzorgde hij de verspreiding van de veilingbrieven; een soort veilingcatalogus waarin de levende koopwaar werd beschreven. Een tamboer werd ingehuurd om het nieuws te verkondigen in de kolonie. Wijs leverde daarnaast levensmiddelen als vers vlees aan de kapitein van de Eenigheid.

Mensen te koop

Op 21 juli werd de eerste publieke vendu gehouden en werden er 66 mensen verkocht. Tijdens de tweede veiling op 22 juli werden 76 mensen verkocht. De verkoop van deze 142 slaafgemaakten leverde ƒ35.265:0 op. Het ging om 58 mannen, 49 vrouwen, 20 jongens en 15 meisjes. Verder verkocht kapitein Menkenveld nog 8 slaafgemaakten uit de hand, namelijk 3 mannen, 3 vrouwen, een jongen en een meisje. Zij brachten bij elkaar ƒ2.471:0 op.

“Ten verkoope van u aldaar aangebragt armazoen slaaven sal een publicque vendue wel het best wesen en daarom die te verkiesen, en indien gij bespeurde dat u gantsche armazoen tot een resonnable prijs daar aan de man wilde, sult gy hetselve in ’t geheel daar verkoopen” – nadere particuliere instructie

Tijdens de eerste veiling werden alle kinderen verkocht, samen met hun (stief)moeder zoals gebruikelijk. Het ging om zes kleine kinderen, van zuigelingen tot kinderen van maximaal circa 13 jaar.

004 Kleine kinderen aan boord

De kopers

De tot slaafgemaakte Afrikanen werden gekocht door 41 verschillende kopers. Soms werden de kopers vermeld onder de naam van de plantage, maar meestal werd de naam van de koper zelf genoemd. Onder hen zijn de secretaris en fiscaal meester Eilardus Harkenroth, de opzichter-generaal Willem Schook en dominee Ramring. Ook de veilingmeester zelf, Abraham Wijs, kocht op de veiling die hij leidde. De kopers mochten alleen bieden als zij een borg hadden die  garant stond voor de koop. Zij betaalden indien de koper in gebreke bleef. De borgen waren zonder uitzondering een van de kopers.

Opbrengst veiling

De winst die werd gemaakt op de verkoop van de tot slaafgemaakte Afrikanen kwam deels ten goede van de hoogsten in rang aan boord van de Eenigheid. Hoeveel, dat was van tevoren al vastgelegd in de instructie van de kapitein:

    • Aan den capteijn 80 sts [stuivers] per slaav
    • aan den opperstuurman 24 sts per slaav
    • aan den oppermeester 24 stsper slaav
    • aan den onderstuurman 10 sts per slaav &
    • aan den derdewaak 6 sts per slaav,
    • waarmede eenijder sig sal moeten vergenoegen.

Onkosten

Aan het verblijf in Berbice en het organiseren van de veilingen waren onkosten verbonden. Zo betaalde de kapitein voor de huur van tafels en banken tijdens de veiling. Ook kocht hij voor de aanwezige potentiële kopers pijpen, tabak, eten en drinken. Als laatste op het lijstje staan de ‘verteerde kosten’ of verblijfskosten van de kapitein aan wal, bestaande uit overnachtingen en maaltijden. Kapitein Menkenveld overnachtte bij Hendrik Jansen Buse die mogelijk een herbergier was. Buse kocht zelf 2 slaafgemaakten van de Eenigheid; een man en een meisje. Al deze onkosten zijn terug te vinden in het handelsboek.

Betaelde onkosten in Rio Berbice anno 1762
volgens reekening & quitantiën
Julij 22

    • Aen den venduemeester Abraham Wijs voor 2½ pro cento landtlasten van ƒ 35.265 = ƒ 881:12:0
    • Aen idem voor ’t rondsenden der venduebrieven door de geheele colonie, ƒ 25:0:0
    • Aen den tamboer der militie voor ’t rondslaen en koopers bij 4 mael à ƒ 2:10 eijdermael = ƒ 10:0:0
    • Aen J.P. Wijland, voor tafel en banken, pijpen & tabacq, wijn & bier op twee gehoudene vendues van slaeven, ƒ 117:15:0
    • Aen den luijtenand & adjudant G. Thielin, voor last- & vlaggegeld, ƒ 35:0:0
    • Aen den heer secretaris mr. Eilardus Foliardus Harkenroth voor ’t passeeren van een procuratie op d’heer Abraham Wijs met twee grossen, ƒ 7:10:0
    • Aen den clercq Jan Bocht voor venduelijst van slaeven & zegel van secretarij, ƒ 4:0:0
    • Aen den medicijnen, doctor & chirurgijn major der colonie voor gedaene visitatie van 298 coppen slaeven à 6 sts. per hoofd, ƒ 89:8:0
    • Aen Abraham Wijs, voor varsch vleesch, ƒ 37:10:0
    • Aen idem per vendue een restand lootwit, ƒ 5:5:0
    • Een ½ vat terpentijn, ƒ 6:0:0

Somma: ƒ1.248:8:0

De kapitein van de Eenigheid moest ook belasting afdragen per koper en per verkochte slaafgemaakte. Zo betaalde hij per koper 2 stuivers en per verkochte Afrikaan 5 stuivers.

    • 41 koopen à 2 stuijvers ƒ4:2:0
    • 66 slaaven à 5 stuijvers ƒ16:10:0
    • Voor tafel en banken ƒ5:5:0

Drank en tabak

Tijdens de veiling werd er veel gegeten en gedronken. De 41 kopers en andere aanwezigen dronken samen 32 flessen witte wijn, 11 flessen rode wijn en 44 flessen bier op. Ook is bekend hoeveel tabak en pijpen er gebruikt werd. De aanwezigen gebruikten 48 pijpen om 2 pond tabak te roken.

Op vendu gebruijk:

    • 32 bottels witte wijn à 12 stuijvers ƒ19:4:0
    • 11 bottels roode wijn à 12 stuijvers ƒ6:12:0
    • 44 bottles bruyn bier à 5 stuijvers ƒ11:0:0
    • 4 douseyn peypen ƒ2:8:0
    • 2 lb. tabak ƒ1:10:0

Afbreken veiling

De tweede veiling op 22 juli werd door de kapitein afgebroken omdat hij de prijzen te laag vond. “Ons capiteijn seijde de vandue op omdat de slaven na de waarde […] seer weijnig geldt op dezelve gingen”, noteerde opperstuurman Daniël Pruijmelaar in het logboek. Dit komt overeen met de instructies die Jan Menkenveld had ontvangen van de directeuren van de MCC:

“maar bemerkende sulkx wat declin in de prijsen soude geven, sult gij een sortabel restand van 80 à 100 slaaven overhouden en ’tselve in de colonie van Essequebo en Dimmerarij verkoopen, meede in vendue”

Het schip vertrok naar de kolonie Essequebo. Aan boord waren nog 143 slaafgemaakten; 53 mannen, 68 vrouwen, 18 jongens en 4 meisjes.

Betaling

In de nadere particuliere instructie stelden de directeuren voorwaarden aan de betaling van de gekochte Afrikanen:

“op conditie de betaling in suyker te doen en aanstonds in uedele schip te laaden of anders in goede wisselbrieven”

Een wisselbrief was een schriftelijke betalingsopdracht, als het ware een belofte tot betaling. Het duurde jaren voordat de MCC de uitbetaling van de laatste wisselbrieven zou ontvangen.

De kapitein had haast om naar Essequebo te varen en daar de resterende mensen te veilen. Hij machtigde veilingmeester Abraham Wijs om in zijn naam de betalingen af te handelen. De kopers betaalden in wisselbrieven aan veilingmeester Abraham Wijs. Op 27 juli verklaarde Wijs per schuldbekentenis de veilingopbrengst schuldig te zijn aan de MCC.

De kopers konden afzien van hun koop indien de gekochte slaafgemaakten binnen 6 weken na aankoop ziek werden. In dat geval dienden de slaafgemaakten geretourneerd te worden bij Wijs.

“bijaldien er binnen den ses weeken naer den verkoop slaaven dewelkens de slaepsiekte offte de vallende siekte gekreegen hebben, mij weederom worden gebracht”

Abraham Wijs

Op 18 september 1762 stuurde veilingmeester Wijs een brief naar de directeuren van de MCC. Hierin bevestigde hij dat hij de veilingopbrengst schuldig was aan de MCC:

“Door den verkoop in publicque vendutie der slaaven van het armasoen der scheepe De Eenigheijd, capiteijn Jan Minkeveld, ben ik aen UWeledelen schuldigh geworden ƒ 34.348:8:- met beloffte deselven aan UWeledelen per eerste schip te sullen remitteeren als op de reeckeningh-courant aan capiteijn Minkeveldt overgeleverdt.”

Door de ziekte en sterftegevallen in de kolonie had hij dit bedrag echter nog niet op kunnen halen.

“Dan door de tseederdt hierbinnen deese colonie opgekoomen siektens en sterffgevallen heb ik pas circa de helffte van die penningen konnen incasseeren.”

Hij deed de belofte het resterende bedrag met een schip mee te sturen dat een week later zou vertrekken.

Kanonnen

Bij vertrek uit Berbice leende de Eenigheid zes scheepskanonnen aan Gouverneur van Hoogenheim op fort Nassau. Dit had vermoedelijk te maken met de gespannen sfeer in de kolonie. Net voordat Menkenveld en zijn schip in Berbice aankwamen, had er een kleine opstand van slaafgemaakten plaatsgevonden. De heersende ziekte in de kolonie, het grote aantal sterfgevallen en het gebrekkige bestuur, zorgden ervoor dat het broeide in de kolonie. Omdat het fort in slechte conditie verkeerde en nauwelijks kon worden verdedigd, leende de Eenigheid de zes kanonnen uit.

“wij lieten onse 6 staardtstukken aan landt omdat de gouverneur dezelve noodig hadde voor ’t landt en zoude dezelve nadat hij dezelve hadde gebruijkt met een ander schip nastueren”

Essequebo

Zodra de Eenigheid was aangekomen in Berbice had kapitein Menkenveld aan zijn contactpersoon in Essequebo geschreven om te informeren naar de markprijzen van slaafgemaakten aldaar.

“hebbe ook ten eersten bij mijn aankomst alhier in de revier per expresse geschreven aan den heer secretaris Spoor binnen Essequebo met versoek om te mogen weten wegens den aftrek en prijsen der slaaven aldaar en bijaldien de slaven aldaar hooger van prijsen sijn als alhier sal dan met den eersten met een restand na Essequebo vertrekken.”

Op 27 juli 1762, vijf dagen na de tweede veiling in Berbice, lichtte het schip de Eenigheid het anker en vertrok richting Essequebo. Dit was geen willekeurige keuze. In de nadere particuliere instructies stond dat indien de prijzen in Berbice laag waren, het schip verder zou moeten varen naar Essequebo.

“maar bemerkende sulkx wat declin in de prijsen soude geven, sult gij een sortabel restand van 80 à 100 slaaven overhouden en ’tselve in de colonie van Essequebo en Dimmerarij verkoopen, meede in vendue”

slaven-West-Indie-Rijksmuseum-SK-A-4988

Weggevoerde slaafgemaakten
Europeaan met inlandse vrouw en twee slaafgemaakten begeleid door drie bewakers. Olieverf op doek, 18e eeuw, 48×57.2 cm. Rijksmuseum, SK-A-4988.

Berbice-ca-1740-totaal-2000br-ZI-I-0830

Berbice
Kaart van de kolonie Berbice in Guyana, met legenda met plantages en eigenaren. Gravure uitgegeven door Reinier en Josua Ottens, 1740, 48.7×95.2 cm. Zeeuws Archief, Zelandia Illustrata I, inv.nr 830.

vendulijst_Berbice_384_0047

Veiling slaven in Berbice
Eerste pagina van het veilingverslag van slaafgemaakten uit het schip de Eenigheid in Berbice. Zeeuws Archief, Archief van de MCC, inv.nr 384.