Trajecten van de reis

Opstand in Berbice in 1763

Op 23 februari 1763 kwamen de slaafgemaakten in de Nederlandse kolonie Berbice in opstand. De bevolking van Berbice telde circa 350 Europeanen en ongeveer 5.000 tot slaaf gemaakte Afrikanen. Vrijwel alle Europeanen ontvluchtten hun plantages. Ongeveer veertig van hen vonden de dood. Bij de herovering van de kolonie op de slaafgemaakten, die tien maanden duurde, kwamen meer dan 1.800 slaafgemaakten om het leven.

De tot slaaf gemaakte Afrikanen die met de Eenigheid in juli 1762 in de kolonie waren aangekomen maakten de grote opstand waarschijnlijk van nabij mee. Voor de Europese inwoners die betrokken waren bij de komst van de Eenigheid geldt dat zeker. Een aantal liet in de opstand het leven, terwijl enkele ambtenaren door het bestuur van de kolonie werden verbannen wegens slecht gedrag en dronkenschap, zoals te lezen is in het hieronder volgende relaas van de Grote Opstand van Berbice.

Kleine opstand in 1762

Een kleine opstand van slaafgemaakten vond 5 juli 1762 plaats op de plantage Goedland en Goed Fortuin van Laurens Kunckler. Daarbij vonden iets meer dan dertig tot slaaf gemaakte Afrikanen de dood. Tijdens de veiling van de Afrikanen van de Eenigheid kocht Kunckler dan ook de meeste mensen. Na het neerslaan van deze opstand bleef de sfeer in de kolonie dreigend. Kapitein Menkenveld leende op verzoek 6 kanonnen van de Eenigheid uit aan de commandant van het fort.

Logboek, 28 juli 1762: “wij lieten onse 6 staardtstukken aan landt omdat de gouverneur dezelve noodig hadde voor ’t landt en zoude dezelve nadat hij dezelve hadde gebruijkt met een ander schip nastueren”

Situatie in de kolonie

Op 16 september 1762 schreef Wolfert Simon van Hoogenheim, gouverneur van de kolonie Berbice, een lange brief aan zijn werkgevers, de directeuren van de Sociëteit van Berbice, het bestuur van de kolonie. Hij schreef dat de toestand in Berbice nog steeds erg slecht was. De heersende ziekte (waarschijnlijk dysenterie) woedde erger dan ooit tevoren en had al de levens geëist van twee leden van de raad, Emmanuel Hosch en Charbon, en enkele directeuren van de sociëteitsplantages. Hierdoor had het Hof van Politie en Criminele Justitie niet genoeg leden meer om bij elkaar te komen voor vergaderingen. Verder vermeldde hij dat op tien mannen na, alle soldaten op het fort overleden of ziek waren. Hij drong er dan ook op aan meer soldaten en Europees personeel naar de kolonie te sturen. In twee latere brieven, van 25 september en 25 november, meldde Van Hoogenheim dat er nagenoeg geen proviand meer in de kolonie was. De versterking bleek niet op tijd te komen.

Begin van de opstand

Het broeide dus in de kolonie. De slaafgemaakten leden honger en waren vaak slachtoffer van harde straffen. Op 23 februari 1763 werd in de Canje Creek op plantage Magdelenenburg van de weduwe Vernesobre, de timmerman vermoord door opstandige slaafgemaakten. Hun leider was Coffy, afkomstig van de plantage Lelienburg. Dit was het begin van de grote opstand. De rebellen trokken verder naar plantage Providence. Directeur Joly kon net op tijd uitwijken naar plantage Stevensburg. Directeur Chambon van plantage Stevensburg, tevens de burger-officier van de divisie van Canje, vroeg vergeefs om versterking.

Vluchtende bewoners

Het duurde slechts enkele dagen voordat de slaafgemaakten op de meeste particuliere plantages in opstand kwamen. Zij dwongen de slaafgemaakten van de sociëteitsplantages met geweld om zich bij hen aan te sluiten. Op 28 februari ontving gouverneur Van Hoogenheim het bericht dat de slaafgemaakten op de particuliere plantages Elisabeth en Alexandria, Hollandia en Zeelandia, Juliana en Leliënburg de Europese bewoners hadden omgebracht en de gebouwen hadden geplunderd en in brand hadden gestoken. De opstandelingen hadden de plantages Hollandia en Zeelandia als hoofdkwartier uitgekozen. De bewoners van de plantages vluchtten zonder enige vorm van verzet naar de sociëteitsplantage de Peereboom. Gouverneur Van Hoogenheim besloot om de weinige strijdbare mannen op Fort Nassau te verzamelen.

Kapitein Cock

Ook riep de gouverneur het schip de Adriana Petronella, waarvan kapitein Cock zijn hulp had aangeboden, op om positie in te nemen bij plantage de Peereboom en de Europeanen steun te bieden. Kapitein Cock veranderde echter van gedachten. Hij voer net voorbij Fort Nassau waar hij meubels en andere waardevolle spullen van plantages op zijn schip laadde. Zelfs de herhaalde verzoeken en ordes van de gouverneur en leden van het Hof van Politie mochten niet baten.

Opstand in volle gang

Door alle vergaderingen en verzoeken was er kostbare tijd verloren gegaan. Plantage de Peereboom was inmiddels volledig omsingeld door de opstandelingen. Op de plantage hadden inmiddels zestig gevluchte Europeanen zich verzameld, waaronder 21 vrouwen en kinderen. Op 3 maart 1763 begonnen 600 rebellen met een aanval op de Peereboom. De mannen op de plantage, onder leiding van Johan George en Ambrosius Zubli, konden de aanval ruim 24 uur lang afhouden. Op 4 maart werden zij echter overmeesterd.

Onderhandelingen

Vermoeid, met een gebrek aan voedsel en water en wetende dat er geen hulp meer zou komen probeerden zij met de rebellen over overgave te onderhandelen. De Europeanen mochten de plantage verlaten, maar ze waren de boten nog niet ingestapt of de rebellen braken het akkoord.

Bloedbad

Velen werden in het gevecht gedood. Slechts een tiental lukte het om de overkant van de rivier te bereiken en naar Fort Nassau te vluchten. De mannen, vrouwen en kinderen die gevangen genomen werden wachtte een noodlot. Omdat sommige plantage-eigenaren de slaafgemaakten op hun plantage heel erg slecht hadden behandeld, kenden de rebellen geen genade. Sommige mannen werden dood gezweept, andere moesten toezien hoe hun vrouw en kinderen werden afgeslacht voordat ze zelf om het leven werden gebracht. Chirurgijn-majoor Jan Jacob Bass, die ook de visitatie van de Eenigheid had gedaan, werd beschuldigd van het vergiftigen van zieken in het hospitaal. Hij werd levend gevild en daarna doodgeslagen. Nadat Johan George, zijn vrouw en zijn zoon waren gedood, nam rebellenleider Coffy zijn oudste dochter tot vrouw.

Situatie op het fort

De overwinning op plantage de Peereboom gaf de opstandelingen extra moed om op te trekken naar Fort Nassau. Daar had men reeds van de mulat Jan Broer gehoord van het bloedbad dat had plaatsgevonden. Ook dominee J.V.P. Ramring, die vanwege zijn relatie met God was gespaard, was inmiddels met het beangstigende nieuws aangekomen op het fort. Het fort stroomde vol met gevluchte planters en andere blanke inwoners. Het slecht onderhouden fort had noch de huisvesting noch de levensmiddelen en drinkwater voor zoveel mensen. Bovendien waren er nog maar 16 gezonde soldaten en slechts weinig wapens en munitie.

Laffe mannen

Abraham Wijs, weesmeester van de kolonie en tevens contactpersoon van de MCC, had zijn toevlucht gezocht op een van de drie schepen, evenals secretaris en fiscaal-meester Harkenroth. Onder het voorwendsel ziek te zijn hielden beide mannen zo het betreffende schip bezet, waardoor het niet gebruikt kon worden in de verdediging tegen de opstandelingen. Andere ambtenaren van de kolonie hadden zich in het fort verschanst en weigerden medewerking.

Gouverneur Van Hoogenheim kon alleen rekenen op de dappere luitenant Thielen. Op 6 maart ontving de gouverneur een schriftelijk verzoek van de gevluchte Europeanen om het fort te verlaten en met de schepen naar de monding van de rivier af te zakken. Dezelfde dag verstuurde de gouverneur een brief naar gouverneur Crommelin van Suriname met een dringend verzoek om hulp. De noodkreet kwam ruim drie weken later aan en dat zou de Europese inwoners van de kolonie van de totale ondergang redden.

Contact met de rebellen

Op 8 maart ontving gouverneur Van Hoogenheim een brief van rebellenleiders Coffy en Accara. In gebrekkig Nederlands raadden zij hem aan om zo snel mogelijk met zijn schepen de kolonie te verlaten. Als Van Hoogenheim weigerde, dan moest hij drie schoten lossen. Dit zou voor de rebellen het signaal zijn om aan te vallen. Ook schreven Coffy en Accara dat de slechte behandeling van enkele planters de reden was geweest dat de slaafgemaakten in opstand waren gekomen. De planters die zij met naam noemden waren onder andere Barkey, Dell, de Graaff en Lentzing. Na spoedberaad met het Hof van Politie werd besloten om het fort te verlaten.

Verlaten van het fort

Iedereen ging aan boord van de schepen waarna het fort in brand werd gestoken. Drie dagen later, op 11 maart, kwamen de schepen aan bij sociëteitsplantage de Dageraad. De situatie op de plantage was nog rustig. De gouverneur en de leden van het Hof besloten om hier te blijven in de hoop stand te kunnen houden tot er hulp kwam. De kapiteins van de schepen waren het hier niet mee eens en besloten werd nog verder de rivier af te zakken tot aan post St. Andries tegenover het Krabbeneiland in de monding van de rivier de Berbice.

Post St. Andries

De situatie die ze bij post St. Andries aantroffen was niet beter dan op Fort Nassau. De planters waren vanuit de hele kolonie toegestroomd. Er was nauwelijks voedsel en water en bijna geen plaats voor onderdak. Veel van de aanwezigen hadden koorts of de loop.

Gouverneur Van Hoogenheim ondernam gelijk actie. Hij liet dakgoten maken om het regenwater op te vangen, hij stuurde groepen met schepen naar plantages om water en levensmiddelen te halen en hij gaf opdracht een borstwering rondom het kampement te maken.

De toestand was zo slecht dat de gouverneur in overleg met de drie leden van het Hof besloot de kapiteins met de schepen te laten vertrekken. Verder vroeg hij een ieder die niet bereid was om te vechten om de kolonie te verlaten. Twaalf mannen bleven achter om de 35 militairen in de verdediging van de post bij te staan.

Hulp

Van Hoogenheim besloot om het hogerop te zoeken en zond brieven direct naar de Staten-Generaal. Deze brieven gingen 8 april mee met de schepen van onder andere kapitein Cock en kwamen pas 10 en 11 juli aan in Nederland. Directe hulp bleek echter uit een andere hoek te komen. Op 28 maart 1763 werd er een zeil aan de horizon gezien. Rond 4 uur ’s middags kwam het Engelse schip Betsy, gecommandeerd door kapitein George Buckmaster, ten anker bij de post St. Andries. Het schip was afkomstig uit Suriname en bracht zo’n 100 militairen.

Offensief

Op 30 maart begon de gouverneur met 3 schepen met het opvaren van de rivier de Berbice. De slaafgemaakten werden steeds verder teruggedreven. Op 31 maart kwam het detachement ten anker bij plantage de Dageraad. Op 2 april vielen ongeveer 300 à 400 opstandelingen aan, een aanval die Van Hoogenheim wist af te slaan. Deze aanval bleek onenigheid onder de rebellen te veroorzaken. De aanval was geleid door rebellenleider Accara, tegen de zin in van de rebellenleider Coffy.

Contact

Na de aanval van 2 april zocht Coffy contact met Van Hoogenheim. Hij schreef hem dat hij de aanval van Accara betreurde en dat hij niet uit was op oorlog. Coffy deed het voorstel om de kolonie op te delen. Een helft voor de Europeanen en een helft voor de slaafgemaakten die gevochten hadden voor vrijheid. Het brievencontact duurde de rest van de maand.

Storm van ’s Gravesande

Gouverneur Storm van ’s Gravesande van de kolonie Essequebo en Demerary had via gevluchte planters vernomen van de opstand. Hij schakelde de hulp in van de leden van inheemse volkeren van Guyana om te voorkomen dat de rebellen zich in het binnenland zouden terugtrekken. Ook zond de gouverneur bericht naar onder andere de kolonie St. Eustatius. De gouverneur van St. Eustatius zond op 3 mei twee schepen met totaal 154 soldaten aan boord naar Berbice.

Beloningen

Gouverneur van Hoogenheim loofde in een poging de militairen te motiveren beloningen uit. Zo werd ƒ 500,- voor het vangen van de rebellenleider Coffy uitgeloofd en ƒ 400,- voor Accara. Voor iedere levende slaafgemaakte werd ƒ 50,- betaald en voor iedere dode ƒ 20,-. Ook zou de helft van de waarde van de in beslag genomen goederen onder de troepen verdeeld worden. Dit laatste werd ingetrokken na protest van de directeuren en de aandeelhouders in Nederland die betoogden dat het geen oorlogsbuit betrof, maar het eigendom van aandeelhouders of van de vrije planters.

Aanval op de Dageraad

Op 13 mei besloten de opstandelingen een aanval te wagen op plantage de Dageraad. Hoewel zij met veel meer mensen waren dan de Europeanen, hield de verdediging op de plantage stand dankzij de soldaten op de schepen van St. Eustatius. Na herhaaldelijke aanvallen werden de slaafgemaakten uiteindelijk teruggedrongen door het geschut van de schepen. Luitenant Thielen ging de opstandige slaafgemaakten met een groep van zo’n 80 soldaten achterna. Het aantal doden onder de slaafgemaakten werd geschat op circa 100 man, terwijl er onder de Europeanen maar 8 doden vielen.

Nog een vijand

Na deze aanval hadden de rebellen de moed enigszins verloren en vielen zij niet langer aan. De mannen op plantage de Dageraad hadden echter met een andere vijand te kampen. De ziekte die al bijna 15 jaar de kolonie teisterde begon wederom zijn tol te eisen. Het merendeel van de nieuw gearriveerde hulptroepen was ziek of inmiddels overleden. Er waren zelfs niet genoeg personen om de schepen te bemannen. De ziekte eiste de levens van enkele kapiteins en ook van de leden van het Hof, Gillissen en Schermmeester. In het journaal dat Van Hoogenheim tijdens deze periode bijhield is te lezen dat er gedurende de maanden juli en september bijna iedere dag iemand overleed aan de ziekte.

Deserteurs

In juni was er een schip met zo’n 70 soldaten vanuit Suriname aangekomen bij de Corantijn rivier, de rivier die de grens vormt tussen Berbice en Suriname. Zij moesten de rebellen van plantage Magdalenenburg beletten om verder oostwaarts richting Suriname te trekken. De soldaten bestonden voornamelijk uit weggelopen Fransen en Duitsers. Met de hulp van zo’n 40 inheemse inwoners had de groep soldaten een rebellenkamp aangevallen en overwonnen. Bij het verdelen van de buit was echter onenigheid ontstaan. De Franse en Duitse soldaten sloegen aan het muiten en overmeesterden hun officieren. Hierna trokken zij richting plantage Magdalenenburg met het plan zich bij de opstandelingen te voegen. De slaafgemaakten konden echter niet geloven dat een hele groep Europese soldaten zich bij hen wilden voegen en besloten de soldaten gevangen te nemen. 28 van hen werden onmiddellijk vermoord, waarna de rest over de plantages werden verdeeld om als slaafgemaakte voor de opstandelingen te werken.

In Nederland

Eind mei 1763 was het eerste bericht van de opstand bij de belanghebbende kooplieden in Amsterdam aangekomen. Dit bericht was afkomstig van kapitein Richard Robberts van het schip de Gezusters dat was aangekomen in St. Eustatius. Deze kooplieden brachten op hun beurt de directeuren van de sociëteit van Berbice op de hoogte en vroegen hen om hulp. Gezamenlijk dienden zij een aanvraag in bij de Staten-Generaal om 2 oorlogsfregatten met 600 man naar de kolonie te sturen. De Staten-Generaal besloot om eerst het fregat St. Maartensdijk onder leiding van kapitein Maarten Haringman van de Zeeuwse Admiraliteit met 150 man naar Berbice te zenden. Het schip vertrok op 23 Juli. Op 15 augustus volgden kapitein Evert Bisdom met 150 man op het fregat de Dolphijn en kapitein Ludolf Hendrik van Oyen met 110 man op het snauwschip de Zephyr.

Hertog van Brunswijk

De Staten-Generaal riepen de hulp in van de Hertog van Brunswijk Wolfenbuttel. De hertog was veldmaarschalk en commandant van de militie der Verenigde Nederlanden en hij was de voogd van de toen nog jonge erfprins en stadhouder Willem V. De hertog onderzocht onder andere de oorzaak van de opstand en ondervroeg de directeuren van Berbice hierover. Verder kwam hij met een plan van aanpak. Hij stelde voor om een korps van ruim 650 vrijwillige soldaten naar Berbice te sturen. Hij schatte de kosten op ƒ 706.000,-

Vrijwilligerskorps

Luitenant-kolonel Jan Marinus de Salve werd op 23 juli 1763 benoemd tot commandant van het korps vrijwilligers. Het duurde nog 3 maanden voordat het regiment zich had verzameld bij Naarden. Op 19 en 20 oktober marcheerden de mannen naar Muiden, vanwaar zij werden overgevaren naar Texel. Op Texel werden zij verdeeld over 4 driemasters en 2 kleinere schepen. Op 6 november verliet deze vloot de rede van Texel. Op 19 december kwam de vloot aan in Suriname, waar inlichtingen werden verzameld over de situatie in Berbice. Op 26 december voer de vloot naar de kolonie Berbice.

Incident in Berbice

In Berbice had er zich ondertussen een incident voorgedaan. Kapitein Hattinga, die al bekend stond als een dronkaard, had zich op post St. Andries, waar hij de leiding had, opnieuw vergrepen aan de drank. Dronken verliet hij op 19 september 1763 met 15 mannen de post en voer de rivier de Canje op. Hij droeg de mannen op om te schieten op alle vaartuigen en slaafgemaakten die zij maar tegenkwamen zonder vast te stellen aan wiens kant zij stonden. Kapitein Van Rijssel werd onmiddellijk naar St. Andries gestuurd om de leiding over te nemen. Luitenant Pronk werd met een kleine groep soldaten achter Hattinga aangestuurd. Zodra Hattinga gevangen was genomen, moest hij voor een krijgsraad verschijnen. Hattinga werd van al zijn ambten ontheven en uit de kolonie verbannen.

Onenigheid onder de rebellen

Op 19 oktober 1763 kreeg gouverneur Van Hoogenheim van een mulat die de rebellen was ontvlucht te horen dat er onenigheid onder de rebellen heerste. Rebellenleider Coffy was afgezet door een zekere Atta die zich vervolgens tot gouverneur van de rebellen had benoemd. Coffy had zich na deze nederlaag van het leven beroofd.

Kapitein Haringman

Op 26 oktober kwam dan eindelijk hulp toen kapitein Haringman met zijn schip St. Maartensdijk voor de monding van de rivier de Berbice aankwam. Haringman bleef bij St. Andries liggen, omdat hij vreesde dat de ziekte op plantage de Dageraad zijn bemanning zou besmetten. Op 11 november voeren vijf officieren met 171 mannen, waaronder gouverneur Van Hoogenheim en kapitein Haringman, op het schip van kapitein Salvolani de Canje rivier op. Zij verdreven de rebellen tot aan plantage Stevensburg. Hier werd een flinke groep soldaten achtergelaten. De communicatie met Fort Nassau was weer hersteld.

Nog meer hulptroepen

Toen Van Hoogenheim op 19 november terugkwam op plantage de Dageraad ontving hij bericht van de directeur-generaal van Essequebo en Demerary dat de inheemse inwoners in die kolonie tijdens gevechten met de opstandelingen vele slaafgemaakten hadden gedood. Op 27 november arriveerden de twee koopvaardijschepen die vanuit de Republiek waren gestuurd door de directeuren van de kolonie Berbice. Diezelfde avond arriveerde ook kapitein Bisdom met het fregat de Dolphijn en op 5 december kwam kapitein van Oyen met het snauwschip de Zephyr aan.

Plan van aanval

Samen met kapitein Maarten Haringman bedacht gouverneur Van Hoogenheim een aanvalsplan. De post op plantage Stevensburg zou bemand blijven door een officier en 56 man. Luitenant Crombie zou op 7 december met 30 matrozen en 30 soldaten via de rivier de Demerary de rebellen in de rug aanvallen. De resterende hoofdmacht zou de slaafgemaakten via de rivier de Berbice aanvallen. Deze hoofdmacht bestond uit de soldaten en scheepsvolk op vijf schepen: de Dolphijn, de Zephyr, de barkas van de Dolphijn, twee barken van St. Eustatius en de barkas de Hoop van de kolonie zelf. In totaal gingen er 380 soldaten en matrozen mee.

De aanval

Op 19 december begon de hoofdmacht met het opvaren van de rivier de Berbice. Het aanzicht van al dit oorlogsgeweld joeg de opstandelingen angst aan. Velen van hen gaven zich gelijk over. De opstandelingen van onder andere de plantages Cornelia-Jacoba, Hollandia en Zeelandia, Juliana, Leliënburg, de Peereboom en Zubli’s Lust vluchtten richting de plantage Markey en richting plantage Hardenbroek aan de Wikkiekreek. Gouverneur Van Hoogenheim viel met zijn troepen deze laatste plantage aan.

De manschappen waren inmiddels echter overmoedig geworden. In plaats van een boot met verkenners vooruit te sturen, voeren alle officieren met elkaar voor de troepen uit. De rebellen hadden zich verstopt en openden het vuur. Kapitein-luitenant Smits, luitenant Thielen en onderofficier Rees werden onmiddellijk gedood. Twee zeeofficieren en zes onderofficieren werden zwaar gewond. De soldaten, nu gedreven door wraakgevoelens, zetten de aanval voort. Na een lang gevecht dat de levens van veel soldaten en rebellen eiste, lukte het de Nederlandse troepen om de opstandelingen van de plantage te verdrijven.

Plantage de Savonette

Op 28 december 1763 kwam Van Hoogenheim aan op plantage de Savonette. Daar werd hij begroet door luitenant Crombie die via de rivier de Demerary, een lange tocht door de bossen en een bloedig gevecht de plantage had ingenomen. Op 31 december voer de gouverneur weer terug de rivier af richting plantage Hardenbroek.

Statentroepen

Op 1 januari 1764 kreeg gouverneur Van Hoogenheim bericht dat de zes schepen met de ongeveer 600 man die gestuurd waren door de Staten-Generaal aan waren gekomen bij de monding van de rivier Berbice. Op 6 januari kwam de gouverneur aan bij het vernielde Fort Nassau. De volgende dag ontmoette hij kolonel De Salve van de statentroepen en beraadden zij over hoe zij de campagne het beste konden eindigen.

Expedities

Van Hoogenheim trok naar plantage de Dageraad en kolonel De Salve installeerde zich op Nieuw-Amsterdam bij Fort Nassau. De statentroepen werden verdeeld over verschillende locaties. Vier troepen bleven bij Fort Nassau, 3 troepen gingen naar plantage Stevensburg in de Canje rivier, 3 troepen gingen naar plantage Hardenbroek in de Wikkiekreek, een troep naar plantage Cornelia-Jacoba in de Wironjekreek en een naar plantage de Savonette in de boven-Berbice. De rebellen hadden zich inmiddels gevestigd op plantage Goedland en Goed-Fortuin en omstreken, vlakbij plantage Hardenbroek.

Er werden meerdere onsuccesvolle expedities ondernomen. De plantage Goedland en Goed Fortuin werd uiteindelijk terugveroverd op de opstandelingen. Op 26 januari 1764 leidde kapitein Van Oyen een macht van ruim 170 man in een expeditie in de Wikkiekreek waar opstandelingenleider Atta zich met zijn mannen had verscholen. Na enkele kleine posten te hebben overwonnen, kwam Van Oyen de hoofdmacht van de rebellen tegen. Deze sloeg echter gelijk op de vlucht en lieten hun leider Atta in de steek. Het lukte Atta uit handen van de militairen te blijven.

Einde van de opstand

Rebellenhoofd Goussari en voormalige rebellenleider Accara gaven zich over aan kolonel De Salve. Deze maakte gebruik van deze situatie door hen de bossen in te sturen met de opdracht zoveel mogelijk gevluchte rebellen over te halen terug te komen. Het lukte hen om een aanzienlijk aantal rebellen terug te halen, maar Atta bleef op de vlucht. In februari werden kapitein Salvolani met zijn schip, twee andere schepen van St. Eustatius en de Surinaamse hulptroepen weggezonden. Van de statentroepen werd het schip de St. Maartensdijk terug naar Nederland gestuurd, het schip de Zephyr naar Demerary en het schip de Dolphijn bleef in Berbice.

Eerste executie en krijgsraad

Op 25 februari benoemde gouverneur Van Hoogenheim, na overleg met het enige overgebleven lid van het Hof van Politie, L. Abbensets, om Stubbeman en Sollicofre te benoemen tot nieuwe leden van het Hof. Op 2 maart werden zo’n honderd van de ruim 800 in rebellen die in hechtenis waren genomen naar plantage de Dageraad gestuurd om terecht te staan. Van 2 tot 14 maart verhoorden de leden van het Hof de opstandelingen. Van de 101 slaafgemaakten die terecht stonden, werden 53 ter dood veroordeeld, 1 tot geseling en 47 werden vrijgesproken. Van de 53 ter dood veroordeelde mensen werden er 15 levend verbrand, 16 geradbraakt en 22 opgehangen.

Laatste gevecht

Rebellenleider Accabré, die zich met geweld had afgescheiden van rebellenleider Atta, had een kampement opgeslagen bij de plantage Markey. Samen met tussen de 200 en 300 Afrikanen had hij zijn kamp met aarden wallen versterkt. Kolonel De Salve rustte een expeditie uit. Op 23 maart viel een troep van 52 man van rechts aan, twee troepen van elk 16 man van links en een troep van bijna 60 man van voren. Na enkele uren gaven de rebellen zich over. Accabré en zijn luitenant Mars werden samen met 81 mannen gevangengenomen, terwijl de resterende slaafgemaakten erin slaagden te vluchten. Dit markeerde het einde van het gewapende verzet van de slaafgemaakten.

Vangloon

Hoewel veel van de rebellen zich uiteindelijk vrijwillig overgaven, werden enkele nog gevangen voor de beloofde premies. Volgens het journaal van Van Hoogenheim werd er aan de inheemse inwoners ƒ 1074,- uitbetaald voor levende opstandelingen en ƒ 1080,- voor 180 stuks afgekapte handen van slaafgemaakten die niet levend gevangen konden worden.

Atta

Rebellenleider Atta zwierf nog steeds rond in het gebied van de Wikkiekreek. Uiteindelijk wist een inheemse zijn schuilplaats te achterhalen en werden Accara en Goussari op hem afgestuurd. Na een worsteling overmeesterden zij Atta. Op 15 april werd Atta geboeid bij de gouverneur gebracht.

Tweede executie

De leden van het Hof van Politie waren ondertussen verder gegaan met het ondervragen van het stijgende aantal gevangen opstandelingen. Op 27 april werden 34 slaafgemaakten ter dood veroordeeld en 275 vrijgesproken. Van de 34 opstandelingen die ter dood veroordeeld waren, werden er 17 opgehangen, 8 geradbraakt en 9 verbrand, waarvan 7 met een klein vuur. Gouverneur Van Hoogenheim, die het niet eens was met deze gruwelijke straffen, werd telkens overstemd door de andere drie leden van het Hof van Politie en kon niets anders doen dan instemmen en toekijken.

Derde executie

De directie van de Sociëteit van Berbice hadden inmiddels van de tweede executie gehoord. Zij schrok van het grote aantal rebellen dat om het leven was gebracht. In meerdere brieven aan de gouverneur en de raden van de kolonie vroegen de directieleden hen om minder streng te zijn voor de overige rebellen. Zij vreesden een massamoord en bovendien zou het verlies van zoveel kostbare werkkrachten schade toebrengen aan de kolonie. Deze brieven kwamen echter te laat aan. Op 16 juni vond er een derde executie plaats waarbij 32 rebellen de dood vonden.

Bron: Netscher, P.M., ‘Geschiedenis van de koloniën Essequebo, Demerary en Berbice, van de vestiging der Nederlanders aldaar tot op onzen tijd’ (’s Gravenhage 1888)

Berbice-na-1763-totaal-2000br-ZI-I-1625

Berbice, Guyana
Kaart van de kolonie Berbice, met verhaal in cartouche over de grote opstand van slaafgemaakten in 1763. Gravure uitgegeven door Reinier en Josua Ottens in september 1763, 49×95.5 cm. Zeeuws Archief, Zelandia Illustrata I, inv.nr 1625.

Berbice-cartouche-slavenopstand-ZI-I-1625

Verhaal van de grote opstand van slaafgemaakten, opgenomen op de kaart van Berbice
Zeeuws Archief, Zelandia Illustrata I, inv.nr 1625.

rebel-VoyageSurinam-35

Opstandeling
Opstandige slaafgemaakte, die na zijn vlucht vecht tegen de Europeanen. Gravure naar de tekening van J.G. Stedman (1744-1797) en prent van William Blake door Tardieu l’ainé, in: ‘Voyage a Surinam […]’, Parijs 1799. Zeeuws Archief, Beeld en Geluid, inv.nr 589.

mars-moeras-soldaten-VoyageSurinam-37

Militairen in het moeras
Mars van militairen door een moeras in Suriname. Gravure naar de tekening van J.G. Stedman (1744-1797) en prent van William Blake door Tardieu l’ainé, in: ‘Voyage a Surinam […]’, Parijs 1799. Zeeuws Archief, Beeld en Geluid, inv.nr 589.