Trajecten van de reis

Bovenkust

De directeuren van de MCC droegen kapitein Menkenveld op allereerst de Bovenkust aan te doen. In de instructie stond letterlijk:

“Vooreerst sult gij tragten aan te doen Caap Monte, leggende op 6 gr. 28 minuten, en aldaar sooveele slaaven negotieeren als doenelijk is en voorts alle plaatsen aan te doen daar maar slaven te bekomen zijn en dat tot aan Caap des Palmes toe en soo heen en weer langst de kust te negotieeren en het soolang boven te houden als het maar eenigsints doenlijk is, uw voorsiende van een goede partij rijst om uw victualij daardoor te verlengen.”

“En wanneer geen slaven meerder op de Bovenkust cunt bekomen, sal het noodig zijn dat uwe van Caap des Palmes off van de Greincust tot aan Caap Lahoe en vandaar tot aan Caap Tres Puntes tragt sooveel slaaven te negotieeren als sullen te bekomen zijn en voorts alle plaatsen aan te doen en uw reijs en negotie soo spoedig voort te setten als doenlijk is.”

Caap Monte en Caap des Palmes liggen in het tegenwoordige Liberia, en heten nu Robertsport en Harper. Voor de MCC behoorde het gebied tot de Bovenkust, terwijl het ook bekend was als Grein- of Peperkust. Veel kapiteins van de MCC werden met hun schepen naar deze kust gestuurd, omdat de prijzen er laag waren.

De kapitein werd opgedragen zo lang mogelijk aan de Bovenkust te verblijven en er zoveel mogelijk tot slaaf gemaakte Afrikanen te kopen. Pas wanneer er geen mensen meer te koop waren, mocht hij verder varen. Allereerst tot aan Caap Lahoe, het huidige Grand-Lahoe in Ivoorkust, en vandaar naar Caap Tres Puntes, nu Cape Three Points in Ghana.

Teken tot handel

Schepen die aan de Bovenkust handel wilden drijven gaven daartoe een teken door een kanonschot te lossen, eventueel vergezeld van het laten zakken van een zeil; de bemanning van de Eenigheid streek vaak het voormarszeil. Vanaf de kust kwamen er kano’s naar het schip, geladen met rijst en water, en met tot slaaf gemaakte Afrikanen. Aan de Bovenkust ging het om kleine aantallen slaafgemaakten. Kwamen er geen kano’s en was er geen handel dan voer schip een stukje verder en loste opnieuw een schot.

De eerste gevangene

De Eenigheid kocht de eerste tot slaaf gemaakte Afrikaan op 9 december 1761 in de buurt van het huidige Robertsport, Liberia. Deze eerste gevangene aan boord van de Eenigheid was een man. De opperstuurman noteerde hem in het logboek als ‘manslaaf No. 1’. De naam van de Afrikaan werd niet vastgelegd en ook het nummer hield hij niet; hij was slechts de eerste slaafgemaakte die aan boord kwam.

Betaling in goederen

De man werd geruild tegen een aantal goederen uit het meegebrachte cargazoen, zoals geweren, jenever en likeur, textiel, tinnen kommen en messen. De inkoopprijs van deze ruilgoederen bedroeg 115 gulden. In deze blog is per aankoop te zien, welke goederen er werden geruild, en welke inkoopwaarde de goederen vertegenwoordigden. Een aankoop kon de aankoop van 1 persoon betreffen, maar ook die van 30 tegelijk.

Coustume

De bovenstaande aankoop of ruil kwam tot stand nadat er belasting, of ‘coustume’, was betaald aan de lokale machthebber. Deze belasting werd betaald in de vorm van goederen. In geval van de hoogwaardigheidsbekleder in Caap Monte, het huidige Robertsport, ging het om likeur, tabak, gevlamde kralen, een glas en vier snuifdozen.
De kapitein van de Eenigheid droeg voornamelijk ‘coustume’ af aan de Bovenkust, in plaatsen die nu in Liberia liggen.

Latrines en kombuis

Kort na aankomst in Afrika maakten de timmerlieden aan boord van de Eenigheid de eerste latrine voor de gevangenen. Dat gebeurde op dezelfde dag dat de eerste Afrikaanse vrouw werd gekocht, 10 december 1761. In het logboek werd de latrine aangeduid met ‘slavenhuijsje’. De latrine voor de vrouwen werd ‘achterop’, dat wil zeggen overboord van het achterschip aangebracht. De tweede latrine, voor de mannen, werd twee dagen later opzij van het kuildek geplaatst.

Weer enkele dagen later metselden enkele bemanningsleden een speciale kombuis, bestemd voor de bereiding van het eten voor de slaafgemaakten. Deze werd gebouwd in de bak, de voorplecht van het schip. Een andere, reeds uitgevoerde aanpassing aan het schip was het schot tussen het achterdek en het kuildek.

Palmolie en peper

Aan de kust werd in december en januari een aanzienlijke hoeveelheid palmolie gekocht voor de gevangen Afrikanen. Maar liefst 1 oxhoofd en 3 halve aamen ‘olij de palm’ werden aan boord gebracht. Verder werd voor consumptie door de slaafgemaakten ‘piement en malleget’ oftewel peper gekocht.

Andere schepen

Opperstuurman Pruijmelaar maakte in zijn logboek melding van andere, Nederlandse handelaren in slaafgemaakten. Het schip de Anthony Ewout uit Vlissingen verwelkomde 11 december 1761 de Eenigheid met vijf kanonschoten. De Eenigheid bedankte door het zelfde aantal schoten te lossen. Kapitein van de Anthony Ewout was kapitein Adriaan Sap. Zijn bestemming was Angola.

In de vroege ochtend van 23 december 1761 zag opperstuurman Pruijmelaar hoe aan boord van een nieuw aangekomen schip de prinsenvlag werd gehesen. Ook werden 7 schoten afgevuurd. De Eenigheid beantwoordde met 5 schoten, waarna een sloep naar de Eenigheid werd geroeid en de identiteit van de nieuwkomer bekend werd gemaakt: het schip de Guinese Vrienden van kapitein Meijer uit Amsterdam.

De eerste dode

De eerste dode aan boord was een bemanningslid. Het ging om matroos Roelof Siebers afkomstig uit Brewijk in Noorwegen. Siebers was de hele reis al ziekelijk geweest, zo deelde de kapitein in zijn brief aan de directeuren van de MCC mee. Chirurgijn Petrus Couperus schreef in zijn journaal dat de matroos zelfs al voorafgaand aan het vertrek uit Middelburg een week of vier ziek was geweest. Na de eerste anderhalve maand van de reis ziek te zijn geweest, was hij even ter been totdat hij sterk begon te hoesten en zijn lichaam sterk vermagerde. De dag voor kerst 1761 overleed hij ter hoogte van Little Bassa in Liberia. De bemanningsleden naaiden het stoffelijk overschot in zeildoek en zetten het, begeleid door een kanonschot, overboord.

Bezittingen matroos

Na de begrafenis werden de eigendommen van matroos Siebers geveild onder de bemanning. De opbrengst werd genoteerd in de monsterrol en was bestemd voor de erfgenamen. Siebers bezittingen bestonden uit enkele kledingstukken, twee paar schoenen, twee mutsen en een hoed, messen, een tabaksdoos, tabak, een theeketel en thee. De spullen brachten circa 32 gulden op, in 2014 vergelijkbaar met een koopkracht van 323 euro. Het overlijden van de matroos meldde kapitein Menkenveld per brief aan de directeuren in Middelburg.

De tweede dode

De tweede dode was bootsmansmaat Hans Cramer, afkomstig uit Kopenhagen. Hij was niet ziek, maar viel in de nacht van 1 januari 1762 overboord en verdronk. Het schip lag toen in Buchanan (Groot Basa) in Liberia. De eigendommen van de bootsmansmaat & zeilmaker bestonden uit kleding, schoenen, messen, een theeketel, een slaapzak en een hangmat. De verkoop leverde omgerekend 402 euro op, iets meer dan bij de overleden matroos Siebers.

Brief aan de directeuren

Op nieuwjaarsdag 1762 verstuurde kapitein Menkenveld een brief aan de directeuren van de MCC. Daarin was hij pessimistisch gestemd. Hij klaagde over het verloop van de handel: hij had nog maar een tiental tot slaaf gemaakte Afrikanen kunnen kopen. Dat aantal was veel hoger geweest bij de voorgaande reizen op dezelfde locatie, aldus de ervaren kapitein. Het liefst had hij de Bovenkust snel achter zich gelaten, maar dat ging niet. In het cargazoen bevonden zich immers handelsgoederen die speciaal voor de handel aan deze kust waren meegenomen.

Dure handelsgoederen

Verder klaagde de kapitein over de prijs van de tot slaaf gemaakte Afrikanen. Hij moest meer betalen dan bij de voorgaande reizen en ook meer dan andere kapiteins. Dat kwam volgens hem doordat twee soorten ruilgoederen bestemd voor de Bovenkust te duur waren ingekocht. Het ging om de kleine vaatjes met buskruit en de blauwe salempoeri (katoenen doeken). De goederen stonden voor veel te hoge prijzen genoteerd in het handelsboek. Het kon niet anders of er waren grote vergissingen gemaakt, meende Menkenveld, en daar plukte hij nu de zure vruchten van. Ook had het geen zin om de salempoeri mee te nemen naar de Goudkust, want daar kon hij het katoen alleen ver onder de inkoopprijs van de hand doen.

Zwartgallig concludeerde de kapitein nog zeker twee maanden aan de Bovenkust te moeten verblijven om de daarvoor bestemde handelsgoederen te slijten. Daarna zou hij zich richting de Goudkust begeven en als de toestand daar hem niet beviel zou hij voorbij Cape Three Points varen. Want overal wemelde het van de Engelsen: waar hij ook aanlegde, arriveerden of vertrokken Engelse schepen.

Menkenveld overdreef in zijn brief; de Eenigheid zou van tot en met 22 januari 1762 , in totaal anderhalve maand, aan de Bovenkust verblijven.

uitsnede-Van-Keulen-Anias-Bovenkust-1000br

Het schip de Eenigheid aan de Bovenkust
Tussen de oranje markeringen: de bestemmingen van de Eenigheid aan de Bovenkust. Dit deel van de Bovenkust heette ook Grein- of Peperkust. Detail uit een West-Indische paskaart, ca 1728. Zeeuws Archief, Verzameling Beeld en Geluid, inv.nr 636.