Trajecten van de reis

Bemanning

De bemanning van de 3e reis van de Eenigheid bestond bij vertrek uit 36 koppen, precies het gemiddelde aantal bij een slavenreis van de MCC. De bemanning van een slavenreis was groter dan bij een retour- of koopvaardijreis. De gevaren bij een slavenreis waren groter en de dienst aan boord zwaarder.

Opvarenden van de Eenigheid

Een aantal bemanningsleden van de 3e reis van de Eenigheid kende elkaar goed. Zij hadden meerdere reizen samen gemaakt en waren samen opgeklommen in rang. Zo was de huidige opperstuurman, Daniël Pruijmelaar, ooit als matroos begonnen op het schip waar kapitein Menkenveld toen opperstuurman was. Bij vertrek waren er tien mannen aan boord die al jaren met elkaar hadden gevaren, daaronder de officieren.

De bemanning van de Eenigheid bestond bij aanmonstering op 7 september 1761 uit 37 mannen. Achter elke naam staat de plaats van herkomst, waarbij aangetekend moet worden dat de betrokkene al jaren in Zeeland kan wonen, en het maandloon in gulden. De mannen van wie de namen vet gedrukt zijn, hebben eerder met elkaar gevaren onder kapitein Menkenveld.

  1. Kapitein Jan Menkenveld, van Hamburg, f 60
  2. Opperstuurman Daniël Pruijmelaar, van Middelburg, f 36
  3. Onderstuurman Johannes Franciscus Schutz, van Doornik (Vlaanderen), f 30
  4. Derdewaak Adriaan de Puijt, van Goes, f 24
  5. Oppermeester Petrus Henricus Couperus, van Nieuwland (Walcheren), f 36
  6. Ondermeester Louis Bernard, van Rochelle, f 18
  7. Oppertimmerman Paulus Christiaan Kemp, van Hamburg, f 38
  8. Ondertimmerman Pieter de Gerol, van Middelburg, f 20
  9. Bootsman Pieter Pieters, van Groningen, f 24
  10. Bootsmansmaat en zeilmaker Hans Kramer, van Kopenhagen, f 20
  11. Opperkuiper Adriaan Hillebrand, van Veere, f 24
  12. Onderkuiper Isaac de Vos, van Middelburg, f 18
  13. Kok Thomas Ditmars, van Hamburg, f 23
  14. Korporaal (smid) Coenraed Meijer, van Amsterdam, f 22
  15. Matroos Jacobus Rankin, van Veere, f 17
  16. Matroos Jacobus Duijnkerke, van Aardenburg, f 16
  17. Matroos Pieter de Graaff, van Middelburg, f 15
  18. Matroos Roelof Siebers, van Brewijk in Noorwegen, f 17
  19. Matroos Maarten Capper, van Vlissingen, f 17
  20. Matroos Cornelis de Hond, van Willemstad, f 17
  21. Matroos Arnoldus Machielsen, van Veere, f 17
  22. Matroos Alonso Madroes, van Cadiz, f 16
  23. Matroos Carel Hutte, van Nijmegen, f 17
  24. Matroos Anthonie Colombo, van Malaga, f 17
  25. Matroos Jan Ewaard, van Veere, f 16
  26. Matroos Abraham Campus, van Goes, f 14
  27. Matroos Philippus de Voogt, van Blankenberg, f 15
  28. Matroos Abraham Vermeulen, van Schoondijke, f 15
  29. Matroos Anthonie Battram, van Heine bij Hannover, f 17
  30. Matroos Otto Westman, van Stockholm, f 17
  31. Matroos Johannis Coijwijk, van Middelburg, f 16
  32. Oploper Herman Laars, van Vlissingen, f 10
  33. Oploper Adriaan de Visser, van Nieuwland (Walcheren), f 11
  34. Jongen Albert Vermeulen, van Vlissingen, f 7
  35. Jongen Gilles Lint, van Vlissingen, f 5
  36. Jongen Lieven Lambregts, van Vlissingen, f 8
  37. Jongen Philippus de Bock, van Brussel, f 7

Aanmonstering bemanning

De officieren werden van te voren gecontracteerd door de directeuren. Kapitein Jan Menkenveld kreeg 14 juli, al een week na thuiskomst van zijn vorige reis, de aanstelling van kapitein op een volgende reis. Dinsdag 21 juli werd hij, evenals opperstuurman Daniël Pruijmelaar, chirurgijn Petrus Couperus en onderstuurman Willem de Molder, aangenomen voor de 3e reis van de Eenigheid.

De onderstuurman kreeg echter 11 augustus ontslag. Hij kon een financieel aantrekkelijker reis maken als opperstuurman op een schip van een andere eigenaar. Het ging om het schip Zeeburg van boekhouder François Gaaswijk, tevens een belangrijk leverancier van handelsgoederen voor MCC-schepen. Het bestuur reageerde geërgerd en liet weten hem nooit meer te zullen aanstellen. (Twee jaar later werd Willem de Molder kapitein bij de MCC, op de 5e en laatste reis van de Eenigheid.)

Na het ontslag van De Molder schoven de derdewaak (derde stuurman) en de ondertimmerman een rang op. Johannes Schutz, die zich blijkbaar al op 20 juli had aangemeld, promoveerde tot onderstuurman en Adriaan de Puijt tot derdewaak.

De Fransman Louis Bernard solliciteerde in de daaropvolgende vergadering, dinsdag 18 augustus, naar de positie van ondermeester (assistent chirurgijn). De uit La Rochelle afkomstige ondermeester werd onmiddellijk aangenomen.

Voor de aanmonstering van de volledige bemanning op maandag 7 september werd de zaterdag ervoor getrommeld in Middelburg en Vlissingen. De aanmonstering bestond uit het hardop voorlezen van de artikelbrief en het ondertekenen ervan door de bemanningsleden.

Artikelbrief

De artikelbrief is een reglement met voorschriften en (gedrags)regels en boetes bij overtreding daarvan. Hierin is ook de regeling rondom het ‘slavengeld’ opgenomen: voor elke in de Caraïben verkochte Afrikaan keerde de MCC een premie uit.

Het voorlezen van de artikelbrief werd gedaan door waterschout Lodewijk Koorn. “Articulen ende ordre, waarnaar wy, onderschreven officieren en mattroosen, ons verhuurt hebben met het schip, genaamt De Eenigheijd daar capiteyn op is Jan Menkenveld”, zo luidde de allereerste zin. Daarna volgden de bestemming – “de kusten van Afrika en Amerika” – en de regels waaraan alle opvarenden zich dienden te houden.

De artikelbrief is deels gedrukt. In opengelaten gedeelten en onderaan werden met de hand zaken voor elke specifieke reis worden ingevuld. Hieronder volgt de artikelbrief puntsgewijs, waarbij de speciale regels voor de 3e reis van de Eenigheid cursief worden gegeven:

  • Het schip op het Vlacke (de rede van Rammekens bij Vlissingen) brengen zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen, idem bij thuiskomst de lading in zoverre lossen totdat het schip binnengebracht kan worden.
  • Officieren en matrozen mogen cargazoen meenemen (zoals hieronder wordt gespecificieerd), met uitzondering van sterke drank, buskruit, geweren of contrabandegoederen.
  • Matrozen delen met z’n tweeën een scheepskist.
  • ‘Goede ordre en discipline’ te houden, de kapitein alsmede de officieren te gehoorzamen en bevelen en orders zonder tegenspreken uit te voeren. ‘Zoodanig te quijten ende te gedragen, zoo te water als te lande, als eerlijcke officieren en mattroosen betaamt, en daarinne te volharden zoolang de reijze duurt.’
  • Het schip helpen lossen, laden, stuwen, herstuwen, ballasten en ontballasten.
  • Het schip te kielen en schoon te maken, te schrapen van buiten en van binnen.
  • De goederen met barken, scheepsboot en andere vaartuigen van en aan land of andere schepen te brengen.

Werkweigering werd bestraft met een boete van 6 gulden, die ten goede kwam aan de ‘zeevarende armen’.

  • Twee maanden gage wordt hierbij vooruitbetaald oftewel ‘op de hand’ ontvangen.
  • De gage of arbeidsloon gaat in na het passeren van de laatste ton in de monding van de Westerschelde en kan pas worden opgeëist na thuiskomst op het Vlacke (de rede van Rammekens).
  • Verongelukt het schip of wordt het buitgemaakt dan kan geen aanspraak worden gemaakt op uitbetaling van de gage. De vooruit betaalde gage mag worden behouden.
  • De kapitein mag van de regel afwijken en naar eigen inzicht de gage deels uitbetalen.
  • Wanneer het schip wordt aangevallen dan zal een ieder met inzet van ‘lijf en leven’ vechten voor behoud van het schip.
  • Wie zich onttrekt aan zijn taak of wegloopt wordt voor ‘schelm of verrader’ uitgemaakt. Zijn gage en bezittingen aan boord worden verbeurd verklaard.
  • Wie gewond of verminkt raakt bij het verdedigen van het schip ontvangt gratis medische zorg. Hier zal de kapitein op toezien. Naderhand kan een regeling worden getroffen voor financiële genoegdoening.
  • Iedereen zal genoegen moeten nemen met de hoeveelheid en kwaliteit van eten en drinken die kapiteins en officieren goed achten. Wie zich verzet betaalt een boete van één maandloon.
  • Iedereen dient aanwezig te zijn bij de dagelijkse gebeden. Wie niet present is of zich niet gedraagt, betaalt een boete van 6 stuivers, die ten goede komt aan de ‘zeevarende armen’. Niemand mag de nacht buiten het schip doorbrengen zonder toestemming van de kapitein of bij diens afwezigheid zijn vervanger. Hierop staat een boete van 6 gulden, die ten goede komt aan de ‘zeevarende armen’.
  • Dronkenschap, vechten of anderszins, binnen of buiten boord, wordt bestraft met een boete van 6 gulden. De boete komt ten goede aan de ‘zeevarende armen’. Het staat de kapitein vrij iemand uit scheepsdienst te ontslaan en aan land te zetten, zonder dat hij de tot dan verdiende gage hoeft uit te keren.
  • Iemand die onderweg het schip verlaat en wegloopt verbeurt zijn verdiende gage.

Alle hier niet genoemde zaken vallen onder de gebruiken of het zeerecht dat in Middelburg van toepassing is, inclusief de bijbehorende boeten en straffen.

  • Geen enkele opvarende mag handelen in ivoor, was, malteget (peper), slaven of andere handelsgoederen op de kust van Afrika. Bij overtreding vervallen maandlonen en recognities.
  • De kapitein, stuurlieden en chirurgijn mogen geen cargazoengoederen voor hun eigen rekening meenemen en ruilen tegen slaven. Bij overtreding wordt een boete opgelegd van 1000 gulden per slaaf. Verder zullen alle maandlonen en premies worden geconfisqueerd.
  • Kapitein, stuurlieden en chirurgijn ontvangen na thuiskomst voor iedere slaaf die in West-Indië verkocht is. De kapitein ontvangt 80 stuivers per slaaf, de opperstuurman 24 stuivers, de onderstuurman 10 stuivers, de derdewaak: 6 stuivers en de oppermeester: 24 stuivers per slaaf.
  • De overige bemanningsleden wordt toegestaan cargazoen mee te nemen. De oppertimmerman en de bootsman: per persoon goederen ter waarde van f 400, waarbij het maximum voor sterke drank 3 kelders of 6 halve ankers is, eigen consumptie inbegrepen. De kok, de bootsmansmaat, de ondermeester, de corporaal, de kuiper: per persoon goederen ter waarde van f 200, waarbij maximaal 2 kelders of 4 halve ankers aan sterke drank, eigen consumptie inbegrepen. De matrozen en de jongens: per persoon f 75 met een maximum van 1 kelder of 2 halve ankers sterke drank, eigen consumptie inbegrepen.
  • Er mogen alleen goederen mee naar huis worden genomen, geen goud of zilver.
  • Een ieder moet desgevraagd bij retour onder ede verklaren geen verboden goederen te hebben meegenomen. Bij overtreding worden meegenomen cargazoensgoederen, verdiende maandlonen en premies in beslag genomen.

Na het hardop voorlezen ondertekenden alle opvarenden, meestal met hun naam of wanneer zij niet konden schrijven met een kruisje. Zeven opvarenden aan boord van de Eenigheid konden niet schrijven: de kok, 3 matrozen en 3 jongens. Eerst tekenden de opperofficieren gevolgd door de onderofficieren, met uitzondering van de ondertimmerman. Die tekende als één van de laatsten te midden van het scheepsvolk.

Salaris en bonussen

Alle bemanningsleden ontvingen een salaris of gage. Zoals te lezen valt in de artikelbrief maakten de hoge officieren aanspraak op een percentage van de verkoop van iedere slaaf (slavengeld). Wanneer de reis met winst werd afgesloten, zouden zij daarenboven een percentage van de winst (recognitie) ontvangen. De kapitein verdiende het hoogste salaris en ontving de hoogste percentages slavengeld en recognitie.

Het was de hoge officieren verboden cargazoen voor eigen rekening mee te nemen. De overige bemanningsleden konden dat tot een bepaalde hoogte wel doen, zoals de artikelbrief laat zien. Zij mochten hiermee niet handeldrijven in West-Afrika. Ruiling ervan tegen goederen uit de Caraïben, zoals de producten van plantages, was blijkbaar wel geoorloofd.

De ruimte voor persoonlijke bezittingen of cargazoen aan boord was niet onbeperkt. De officieren mochten per persoon een scheepskist meenemen. Matrozen moesten met z’n tweeën een scheepskist delen.

In het salaris en de bonussen werd rekening gehouden met de gevaren aan boord. Het scheepswerk was zwaar en met zoveel gevangenen aan boord was de kans op ongeregeldheden groot. Kapitein Menkenveld had al drie maal een slavenopstand meegemaakt.

Persoonlijke maatregelen

In de weken voorafgaand aan de reis namen bemanningsleden afscheid van familie en vrienden en troffen maatregelen voor de tijd dat zij van huis waren en voor het geval er geen sprake van weerzien zou zijn. De gevaren op zee waren groot. Van een aantal bemanningsleden van de Eenigheid zijn afschriften van notariële stukken en of testamenten bewaard gebleven. Daarin machtigden zij hun vrouwen om in hun plaats te handelen en benoemden zij de erfgenamen.

Leven aan boord en aan wal

Van een aantal bemanningsleden is meer bekend over hun werk en leven.

Kapitein Jan Menkenveld was een emigrant uit Hamburg, Duitsland. Toen hij aanmonsterde bij de MCC was hij ongeveer 30 jaar oud en had hij al carrière gemaakt. Hij begon zijn loopbaan bij de MCC direct in de rang van onderstuurman. Daarna volgden twee reizen als opperstuurman en in 1752 de eerste reis als kapitein. Hij verhuisde definitief naar Middelburg en liet zich als lidmaat inschrijven bij de Lutherse gemeente. Zijn attestatie is bewaard gebleven en vermeldt de gemeente waar hij vandaan kwam: Gluckstadt, niet ver van Hamburg, gelegen aan de rivier de Elbe. Menkenveld was getrouwd met Cornelia de Molder.
De kapitein was de gezagvoerder, in de woorden van Menkenveld zelf: “Ik ben souverain, heer en meester op mijn schip. Niemand, zelfs den gouverneur [van Suriname], heeft mij wat te seggen”. Hij liet er geen twijfel over bestaan wie de baas was.
De 3e reis van de Eenigheid was de vijfde reis voor Menkenveld als kapitein. Zijn volgende reis zou zijn laatste worden: hij werd ontslagen wegens fraude en wangedrag.

Opperstuurman Daniël Pruijmelaar was afkomstig uit Middelburg. Hij begon zijn loopbaan bij de MCC als matroos en klom in 11 jaar op tot opperstuurman. Hij was getrouwd met Cornelia Flinck en woonde in Middelburg. De 3e reis van de Eenigheid was de derde reis voor Pruijmelaar als opperstuurman. Zijn volgende reis zou hij maken als kapitein op de Eenigheid.

Oppermeester of chirurgijn Petrus Henricus Couperus kwam oorspronkelijk uit Heeg, Friesland. Zijn vader was predikant in de gemeente Wymbritseradeel. Couperus begon zijn loopbaan in ’s lands hospitalen te velde, waarschijnlijk een ziekenhuis van de VOC. Daarna werd hij ondermeester op het VOC-schip De Saamslag. Hij vestigde zich in Veere en trouwde met Margarita Anderson. Vervolgens werkte hij enige jaren aan vaste wal op Walcheren; in Nieuwland en Grijpskerke. Hij probeerde zich te vestigen als tweede chirurgijn van Arnemuiden, maar werd geweigerd.
In 1758 nam hij dienst nam als oppermeester bij de MCC. In 1760 verhuisde het echtpaar naar Middelburg. Couperus maakte twee reizen in dienst van de MCC, voordat hij uitvoer met de 3e reis van de Eenigheid. Een week na vertrek werd hij 37 jaar, een respectabele leeftijd voor een opvarende. Van zijn hand is het chirurgijnsjournaal dat bewaard is gebleven.

Matroos Anthonie Battram kwam uit Heine bij Hannover, Duitsland. Hij monsterde wel aan, ondertekende de artikelbrief, maar liet bij vertrek verstek gaan. In het scheepssoldijboek werd onder zijn naam genoteerd ‘weggeloopen’, een term in gebruik voor opvarenden die niet present zijn. In een afschrift van een monsterrol staat voor zijn naam ‘absent’ en is het salaris voor Battram teruggeboekt. In een ander afschrift wordt duidelijk waarom Battram is weggebleven: ‘niet aan boord konnen komen door siekte’. De kapitein maakt melding van het ontbreken van Battram in zijn eerste brief, van 2 oktober 1761, aan de directeuren van de MCC in Middelburg.

scheepsvolk-met-kisten-ZI-III-1010-1000br

Aanmonstering van scheepsvolk
J.H. Koekkoek (1778-1851), tekening, potlood, pen in bruin, grijs gewassen, 23.5 x 34.5 cm. Zeeuws Archief, Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, Zelandia Illustrata III, inv.nr 1010

 

detail-uit-scheepsvolk-met-kisten-ZI-III-1010-1000br

Scheepsvolk met kisten
Detail uit de hierboven afgebeelde tekening van J.H. Koekkoek (1778-1851). Zeeuws Archief, Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, Zelandia Illustrata III, inv.nr 1010

 

zeeman-Sallieth-naar-Perkois-RP-P-OB-60

Zeeman
Stippelets en aquatint door M. Sallieth naar een tekening van J. Perkois (1756-1804) en of J.H. Prins (1757-1806), 21.2×16 cm. De prent verscheen vanaf 1818 tevens als onderdeel van een 33-delige reeks prenten door Mathias de Sallieth, samengebonden in: Perkois, Jacobus, Prins, Johannes Huibert. Verzameling van verschillende gekleede mans- en vrouwenstanden, ter oefening van jonge schilders en liefhebbers. Rotterdam: Johannes Immerzeel, 1818. Rijksmuseum RP-P-OB 60.400

 

zegel-kapitei-Jan-Menkenveld

Zegel kapitein Jan Menkenveld
Zegel van kapitein Jan Menkenveld. Zeeuws Archief, Archief van de MCC, inv.nr 376