Den 18 dito klaagde mij Jacobus Rankin, mattroos, geboortig van VeereZeelandTer Veere, over pijn in ’t hooft, was braakagtig, was mede op de boot geweest, en had aan Elmina CastleGhanad’Elmina veel palmwijn gedronken en inlandtse vruchten gegeten waardoor de maag geheel bedorven was, bevond ook dat hij een intermitterende koorts; infectieziektefebris intermittens had, gaf hem een fometijf braakwortelpulvis hijpocacuana ℈ II, waardoor bij twee groote wormen uitbraakte, gaf hem doen een laxeermiddelpurgans poeder van een jalappawortelpulvis jalappae ʒ I, verders dewijle koorts bij was, ’t pulvis antefebrilis (voorsch. 1), gaf hem te drinken ’t phitisana (voorsch. 14) waardoor herstelt wierd en deed wederom sijn dienst den 31 dito.

