N. 24
Den 24 dito klaagde mij een mansslaaf over pijn op de borst, haalde beswaarlijk sijn adem, bevond geen koorts, deed een aderlatingvenasectio van een ons à tien, lag een smeerzalfceroon van ’t emplastrum de pleister van een soort hars en komijnlabdano et cumino met ’t olie van kruidnagel en muntoleum cariophylli et menthae bestreken op de pijnlijke zijde, gaf hem van ’t eclegma (voorsch. 11) om van te likken alsmede van ’t aposema (voorsch. 8) maar dewijl de stoffe niet wilde los worden en door de pijn sterk verswakkende, soo overleed den 30 dito.

