N. 27
Een mansslaaf had voor sijn overlijden wel twee maanden lang aan een opstopping van excrementen geweest, sijn buik was hart en stijf opgeswollen, had een seer quaatsappig lighaam, sijn handen en voeten swollen ook maar konde niet beter zien als was maar een enkelde zugt, was anders seer gesont, at en dronk wel, praate en lagte met de andere negers, liet hem dikmaals laxerenpurgeeren, maar van weinig effect, konde hem tot geen afgang brengen, sette hem tussenbeiden altemets een clijsteer, ook een zetpilsuppositorium, gaf hem dagelijks ’t alcoholisch aftreksel van saffraan, aloë en mirre volgens Paracelsuselixir propriettatis, maar de swelling bleef bij, waarop eindelijk ’t eeten verviel, soodat hij altoos wilde leggen, liet hem telkens van omlaag halen om hem op de been te houden, sette hem mede bij de andere slaven om water te mannen om sijn lighaam was ’t mogelijk daardoor in beweging te houden, maar mijn uitterste neerstigheijt te hebben aangewend en alle middelen als tevergeefs zijnde, soo overleed den 3 dito.

