Den 16 dito klaagde mij Jan Schutz, onderstuurman, geboortig van Doornik, over pijn in ’t hooft, was braakagtig, bevond een febris intermittens, afgaande koorts, ordonneerde een laxeermiddel van poeder van jalappawortelpurgans pulvis jalappae ℈ II, vorders ’t mixtura (voorsch. 27) waarvan alle drie uuren een lepelvol van gebruikte alsmede van ’t phitisana (voorsch. 14) waarvan voor de dorst en de koorts dronk, waardoor herstelt wierd en deed den 22 dito sijn dienst.

