Close

Atlantische Oceaan

Logboek opperstuurman

’s Morgens de windt zuid frisse coelte, buijege lugt en om 8 ueren of na ’t gebedt cregen ik een geval met onse boosman zoodat ik daarmede in woorden raaken op het deck en ook tot op het halfdeck, denwelken dat hij met veel vloeken en raasen tegen mij aanging en met veel bretaliteijdt, gelijk als meermalen is voorgevallen,

en nu omdat ik hem zeijde van een rif agter en voor uijt de marzeijlen te laten steken, daar hij doen maar een man agter en een man vooren liet opgaan om Een zeil deels uitzetten en zo het zeiloppervlakte vergroten om het aan te passen aan de windkracht’t rif uijt te steken en ik dat ziende vraagde hem waartoe dat er maar een man opging om reven uijt te steken, waarop dat hij bretaal antwoorde dat hij maar 2 man hadde, hetwelk onwaar was want wij hadden er nog 4 die na boven konde gaan en omdat ik zeijde van agter en vooren reven uijt te steken liet hij een man agter en een vooren opgaan, waarop dat ik zeijde dat het 2 mans werck was en dat ik niet en wilde hebben dat er de marzeijlen zoude ontstukscheuren, dat hij dan moeste waarschouwen of op agter of vooren eerst een voor een,

waarop dat ons capiteijn uijt de cajuijt kwam die ook zijn bretaliteijdt wel kende zeijde tegen de boosman dat hij zijn mondt zoude houden tegen den opperstuerman, waarop hij antwoorde alsdat hij dat niet doen en wilde, daarop de captijn nog eens zeijde: “Swijgtt stil”, waarop de boosman zeijde: “Ik can en en wil niet swijgen”, daarop de captijn de vuijlisschop opnam en sloeg 2 maal na hem, waarop dat hij zeijde alsdat het geen dienst meer dede, daarop de capiteijn zeijde dat dat zeer goedt was want dat anders de capiteijn zoude genoodt zijn om hem van zijn diens af te zetten door al zijn bretaliteijdt die hij gedierig voerde, wandt de boosman was al tot 2 maal in de cajuijt gewaarschoudt alsdat hij niet bretaal of geen bretaliteijdt gebruijken tegen de stuerlieden of een ander weg met hem te weten,

verder na het slaveneeten of om 11 ueren ben wij stuerlieden en de boosman in de cajuijt geroepen en in onse prezenttie had ons capiteijn aan de boosman gevraagt of hij voor boosmandienst of voor het heele scheepsdiens hadde bedankt, daarop hij antwoorde alsdat hij in ’t geheel niet hadde bedankt, zodat hij zoo zijn woorden terstondt terug of door de nek haalde, want meer die dat gezegde gehoordt hadde, hij hadde ook gezeijdt alsdat hij niet langer als tot in de West-Indies duren en zoude, dus wierdt hem dan weer belast om zijn diens weer waar te nemen, dog van nu af geen bretaliteijdt meer tegen eenig stuerman te voeren of met den eersten van zijn dienst af te zetten.

Voordts op de middag was onse gegiste gekoppelde coers en verheijdt niets, blijft op de lengte en breete als vooren, bevonden NB 2º51′, mieken schoon tussendeks en in de tussendek in het achterschipschans en rookten ’t uijt met wierook en Jeneverbessenjeneverbeziën, voordts namiddag, ’s avondts en ’s nagts de windt Z à ZZO en weer ZZW, wenden over en weer, voordts stijve buijen, zoo tot ’s morgens.