Den 15 dito klaagde mij Coenraad Meijer, smits corporaal, over onpasselijkheit, bevond een febris intermittens, afgaande koorts, gaf een laxeermiddelpurgans, poeder van een jalappawortelpulvis jalappe I, verders ’t pulvis antefebrilis (voors. 1) ’s morgens en ’s avonts II, en was wederom gesont den 24 dito en dede sijn dienst.

