N. 32
Een vrouslaaf had lange tijt een disenteria gehad, gaf haar dikmaals ’t pulvis ad disenteriam (voorsch. 13), ook ’t bolus (voorsch. 14), waarvan haar tweemalen ’s daags de groote van een notemuscaat gaf, ook gaf haar dagelijks een glaasje wijntint, maar verversing mankeerende, alschoon de rivier opdreven, soo overleed den 20 van voornoemde maant, legge voor ’t fortres de Berbice rivierin GuyanaBerbice.
Voorschrift 13
R/ Misce fac pulvis ad disenteriam [meng en maak een poeder tegen dysenterie]
op een reijs ingenoomen.
- Radix rhei tosti [wortel van geroosterde rabarber]: ℈ II
- Nuces moscatae [nootmuskaat, bij dysenterie]: ℈ ß
- ℈ scrupel = 20 grein, dus ongeveer 1,3 g
- ß = ½ van de gegeven hoeveelheid
Voorschrift 14: ’s daags driemaal in een disenteria, lienteria en alle soorten van quaataardige lopen nadat eerst ’t lighaam gesuivert is
R/ Misce fac bolus [meng en maak een vettige substantie], de groote van een notemuscaat,
- Conserva rosarum rubrarum [rozenbottelconserve, tegen scheurbuik]: ℈ II
- Crocus martis adstringens [soort saffraan]
- Cornu cervi usti [gebrande hertshoorn]
- Sanguis draconis [drakenbloed, bloedstelpend]: ana ℈ ß
- Laudanum opiatum [opiumdruppels, pijnstillend]: gr: II
- Oleum menthae [muntolie]: gutta, mv. guttaedruppelguttae V
- gr. = grein is ongeveer 65 mg
- ℈ scrupel = 20 grein, dus ongeveer 1,3 g
- ß = ½ van de gegeven hoeveelheid
- āā en ān: en ānn = ana (Gr.) neem van elk evenveel



