N. 31
Den 6 dito klaagde een mansslaaf over afgang, bevond een disenteria te zijn, gaf hem een fometijf, poeder van braakwortelpulvis hypocacuana ʒ I, verders de bolus (voorsch. 14) waardoor den afgang geheel scheen weg te wesen, maar den 11 dito bevond den afgang wederom sterker, alhoewel niet sooals in ’t begin, ordonneerde doen ’t pulvis (voorsch. 13)
Voorschrift 13
R/ Misce fac pulvis ad disenteriam [meng en maak een poeder tegen dysenterie]
op een reijs ingenoomen.
- Radix rhei tosti [wortel van geroosterde rabarber]: ℈ II
- Nuces moscatae [nootmuskaat, bij dysenterie]: ℈ ß
- ℈ scrupel = 20 grein, dus ongeveer 1,3 g
- ß = ½ van de gegeven hoeveelheid


