Den 7 dito overleed een vrouslaaf, sij was eenige tijt lang over ’t gehele lighaam met een swaare hijdrops beset, was swaar aan ’t scheurbuikschorbut, waarop afgang volgde, ja soo dat de spijse haar onverteert afging [in marge:] lienteria, gebruikte dagelijks ’t collutio oris om de mond te wassen (voorsch. 2), ook gebruikte tegens ’t scheurbuik van ’t mixtura antischorbutica (voorsch. 1) waarvan haar tweemaalen ’s daags ingaf, gebruikte mede een sagte laxans (voorsch. 13), waarna aan haar van de bolus (voorsch. 14) ingaf driemaal ’s daags een ℈ß , maar alle middelen vergeefszijnde en tot nog toe geen verversing konnende bekoomen, overleed op voornoemde dato. Sij was mede moeder van een klein kint dat nog suigende was, na gedagten anderhalf jaar out, ’t kint was ook volkomen uitgeteert dewijl ’t sog van de moeder ’t kint ook quaatsappig had gemaakt en ’t van den borst niet was te houden, ’twelk de moeder ’t daags daaraan volgde.

